Stap 136: What is the innocence of a wise person?

     

Bestudeer deze passage

Question to Consider:

What part of being innocent according to this definition seems particularly hard for you? Do you know what in your background and thinking makes it particularly hard?


Hemel en Hel #278

Zie bibliografische informatie
Door Emanuel Swedenborg

278. De onschuld van de wijsheid is ware onschuld, omdat zij innerlijk is, want zij is uit de geest zelf, dus uit de wil zelf en daarom uit het verstand; en als zij in deze is, bestaat er onschuld en ook wijsheid, want wijsheid is uit de wil en het verstand. Daarom zegt men in de hemel, dat onschuld in wijsheid woont, en dat een engel zoveel wijsheid heeft als hij onschuld bezit. Dat dit zo is, bevestigen zij daardoor, dat zij, die in een staat van onschuld zijn, aan zichzelf niet het minste goede toeschrijven, maar alle dingen beschouwen als te zijn ontvangen, en ze aan de Heer toeschrijven; dat zij door Hem wensen geleid te worden en niet door zichzelf; dat zij alles wat goed is liefhebben en in alles wat waar is genot vinden, omdat zij weten en gewaarworden dat het goede lief te hebben en het dus te willen en te doen, is de Heer liefhebben en dat waarheid liefhebben is de naaste beminnen; dat zij met het hunne tevreden leven, of het weinig is of veel, omdat zij weten dat zij precies zoveel ontvangen als nuttig voor hen is (weinig zij voor wie weinig nuttig is, en veel zij voor wie veel nuttig is); en dat zij zelf niet weten wat nuttig voor hen is, maar wel de Heer alleen, bij wie alle dingen die Hij verschaft met het oog op de eeuwigheid geschieden. Zo zijn zij ook niet bezorgd voor de toekomst; zij noemen bezorgdheid voor de toekomst zorg voor de dag van morgen en noemen dat een leedgevoel over het verliezen of niet ontvangen van dingen die niet nuttig zijn voor het leven. Met hun makkers handelen zij nooit uit een boos oogmerk, maar met een goed, rechtvaardig en oprecht doel; met een kwaad voornemen handelen noemen zij list, en schuwen dat als het venijn van een slang, omdat het geheel en al in tegenstelling is met onschuld. Omdat zij niets liever hebben dan door de Heer geleid te worden, en alle dingen, die zij ontvangen hebben, aan Hem toeschrijven, worden zij afgeleid van wat hun eigen is, en in zover als zij van zichzelf worden afgeleid, in zover vloeit de Heer in. Vandaar dat zij alles wat zij van de Heer horen, hetzij door het Woord, hetzij door prediking, niet bewaren in hun geheugen, maar onmiddellijk gehoorzamen, dat is willen en doen; de wil zelf is hun geheugen. Deze schijnen voor het merendeel eenvoudig in uitwendig aanzien, maar zij zijn innerlijk wijs en voorzichtig. Zij werden door de Heer bedoeld in Mattheüs 10:16: Zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven. Zodanig is de onschuld die de onschuld van de wijsheid wordt genoemd. Omdat onschuld zichzelf niets goeds toerekent, maar al het goede aan de Heer toeschrijft en omdat zij zo bemint door de Heer te worden geleid en hieruit alle opname van goedheid en waarheid is, waardoor wijsheid komt, daarom is de mens zó geschapen, dat wanneer hij een klein kind is, hij in onschuld kan zijn, maar alleen uiterlijk en wanneer hij oud wordt in innerlijke onschuld kan verkeren, opdat hij door de eerste in de laatste kan overgaan en uit de laatste weer in de eerste. Zo ook vermindert een man als hij oud wordt naar het lichaam, en wordt weer gelijk een kind, maar een wijs kind, dus een engel, want een engel is een wijs kind in de hoogste betekenis. Vandaar betekent een klein kind in het Woord, iemand die in onschuld is en een oud man een wijs mens in wie onschuld is.